Van eind naar begin

Met welk doel wordt onderwijs passend gemaakt?
Het antwoord op die vraag is: om een opbrengst te bereiken. Daarom stelt elke basisschool schoolambities vast voor de vak- en vormingsgebieden die de overheid verplicht heeft gesteld (Nederlandse taal en rekenen) en voor de vak- en vormingsgebieden die zij zelf kiest. De eigen keuze wordt ingegeven door specifieke kenmerken van de leerlingpopulatie of door de onderwijskundige visie. Pas als duidelijk is wat er eind groep 8 met de leerlingen moet zijn bereikt, kan de route ernaartoe worden gepland: het schoolaanbod voor alle leerjaren. De ruggengraat hiervan wordt gevormd door de leerlijn, een logische opeenvolging van (cruciale) leerdoelen. De schoolambities gaan over de opbrengsten uit het schoolaanbod: de mate waarin de leerdoelen door leerlingen zijn geautomatiseerd en worden begrepen en toegepast.

Overeenkomst in onderwijsbehoeften

Welke argumenten zijn er om onderwijs op basis van overeenkomsten in onderwijsbehoeften te legitimeren?
Op nummer één staat de meerwaarde ervan. Immers, in groepen leren leerlingen van en met elkaar. Ze leren van elkaars leerstrategieën, ze leren samenwerken en de sociale cohesie wordt bevorderd. Het tweede en derde argument gaan uit van het idee dat het tegenovergestelde – geïndividualiseerd onderwijs – niet mogelijk en niet nodig is. Niet mogelijk, omdat de instructiekwaliteit omlaaggaat met als gevolg: lagere opbrengsten. Niet nodig, omdat het huidige onderwijs kwalitatief zo hoogwaardig en gevarieerd is dat vrijwel elke leerling hiervan leert en passend onderwijs geniet.

De middenmoot als vertrekpunt

Waarop wordt het onderwijs passend gemaakt? Anders gezegd: wat is het ijkpunt?
Met groepsgewijs onderwijs als uitgangspunt, is dat de middenmoot. Dit is de middelste zestig procent van een leerlingpopulatie of groep. De middenmoot kan worden berekend aan de hand van de opbrengsten van methode-overstijgende toetsen. De aldus berekende middenmoot zou op een andere plaats kunnen liggen dan waar de landelijke middenmoot zich bevindt en waarop lesmethodes hun basisaanpak baseren. Als de basisaanpak niet aansluit op de middenmoot (van de leerlingpopulatie of van een groep) en de schoolambities die worden nagestreefd, moet deze eerst passend worden gemaakt. Gebeurt dat niet, dan zullen leerkrachten ervaren dat ze te veel leerlingen structureel extra moeten ondersteunen of uitdagen. Nadat de basisaanpak van een methode passend is gemaakt op de middenmoot, volgen daarna de aanpakken die zich daaromheen bevinden. Dat zijn de aanpakken voor de leerlingen die zich de leerstof sneller respectievelijk langzamer eigen maken. De drieslag die hierdoor ontstaat, biedt het overgrote deel van de leerlingen opbrengstgericht en passend onderwijs.

Eerst convergent dan divergent

Welke manieren zijn er om in te spelen op verschillen tussen leerlingen?
Het zijn er twee: convergente en divergente differentiatie. De eerste gaat altijd vooraf aan de tweede. Van convergente differentiatie is sprake als een leerkracht met alle leerlingen eenzelfde leerdoel nastreeft en daarbij een drieslag in zijn aanbod hanteert: de basisaanpak, de verrijkte aanpak en de intensieve aanpak. De leerlingen worden dus gegroepeerd op basis van onderwijsbehoeften. Bij divergente differentiatie bevinden leerlingen zich op verschillende punten in de leerlijn; ze werken op hetzelfde moment aan verschillende leerdoelen. Convergente differentiatie is het beste differentiatiemodel voor de normaal en langzamer lerende leerlingen. Sneller lerende leerlingen hebben het meeste baat bij divergente differentiatie: versnellen.

School > groep > leerling

Waarom zou de individuele leerling het uitgangspunt moeten zijn van passend onderwijs?
Vanuit het oogpunt van de behapbaarheid is het logischer om de grootste onderwijskundige eenheid, het schoolaanbod, op de voorgrond te plaatsen. De eerste stap is dan ook om dit aanbod passend te maken op de leerlingpopulatie en de schoolambities die daarmee worden nagestreefd.

De tweede stap betreft de beoordeling of het schoolaanbod in elke groep voldoende opbrengt en passend is. Als dat zo is, wordt het schoolaanbod verder uitgevoerd. Is dit niet het geval, dan wordt het schoolaanbod verder aangepast. De derde stap is de selectie van individuele leerlingen voor wie nog verdere aanpassingen worden gerealiseerd.

Respons op instructie

Waaraan is te zien dat een leerling passend onderwijs heeft genoten?
Dit is waar te nemen aan een drietal indicatoren die samen de respons op instructie vormen: vaardigheidsgroei, leerdoelbeheersing en betrokkenheid. Deze respons wordt bij voorkeur per halfjaar gemeten. Is de respons voldoende, ongeacht de aanpak(ken) die een leerling heeft gekregen, dan geldt: ga door met wat je deed! Er is dan in de onderwijsbehoeften voorzien en meer toetsen, onderzoeken etc. is dan echt niet nodig. In de praktijk zal het overgrote deel van de leerlingen een voldoende respons op instructie hebben, aangezien het onderwijs eerst op schoolniveau en daarna op groepsniveau passend werd gemaakt. Is de respons onvoldoende, dan is het zaak te onderzoeken welke specifieke onderwijsbehoeften de betreffende leerling heeft en hoe hier het beste (individueel) op ingespeeld kan worden.

En nog meer…

De drie uitgangspunten zijn niet toepasbaar zonder het gebruik van een robuuste vergelijkingsmaat, de vaardigheidsindex (vix). Lees hier alles over de vix. Bijkomend voordeel van Focus PO is het realistisch historisch perspectief. Bij het weergeven van de middenmoten door de tijd heen, neemt Focus PO altijd de huidige groep leerlingen als uitgangspunt. De leerlingmutaties worden uit de trendanalyse gefilterd, zodat je altijd het nu kunt vergelijken met het verleden. Hierdoor krijg je een betrouwbaar beeld van de vaardigheidsontwikkeling door de tijd heen.

Menu